Monster
„Laten we in ieder geval die kleren maar
eens oprui-
men," zegt Bob en hij wijst op wat onderbroeken en
sokken die als kleine molshoopjes door Eriks kamer
liggen. Nog van vanmorgen, toen hij bij het aankle-
den niet zo gauw zijn lievelingsspullen kon vinden.
„Maar kan dat joch dan niet in jullie
kamer?" vraagt
Erik. „Die moeder vind ik niet zo erg..." Hij ziet al aan
het gezicht van zijn vader dat hij het net zo goed niet
had kunnen vragen.
„Het is vast een aardig knulletje, dat
neefje van je,"
zegt Bob. „En hij moet toch ergens slapen. Of moe-
ten we hem soms in de keuken leggen?"
Even kijkt Erik blij op bij dit uitstekende
idee. „O,"
zucht hij dan, „een grapje zeker." Hij pakt een bergje
onderbroeken, vermengt het met een paar sokken,
draait er even mee in zijn handen en legt het dan een
meter verder weer neer.
„Doe je ze even in je kast?" vraagt Bob.
Maar Erik hoort het niet. Een beetje in
elkaar gezakt
kijkt hij zijn kamer rond. Naar al zijn kostbare spulle-
tjes. Naar sommige heeft hij wel jaren verlangd. En
om gevraagd. Verdrietig sloft hij naar zijn bureau en
pakt er een schoenendoos met viltstiften
vanaf. Vilt-
stiften met lichtgevende inkt, de beste die er zijn. Hij
staat ermee in zijn handen, zonder te weten wat hij
ermee moet doen. De kast is voor de lego, de grond
kan niet, het bed helemaal niet en daaronder liggen
zijn strips al. Bovendien is onder het bed natuurlijk
de eerste plek waar zo'n joch naartoe kruipt, om te
kijken wat hij kapot kan maken.
Met een plof zet hij de doos terug op zijn
bureau en
gaat in zijn stoel zitten. Hij pakt een vel papier en
tekent met een groene lichtgevende viltstift een groot
en erg afschuwelijk monster. Het heeft puntige tan-
den die bij de hoeken van zijn mond naar buiten ste-
ken. Op zijn rug hangen een kruisboog en twee
zwaarden. Aan zijn riem bengelen een stel dolken en
ook nog wat handgranaten. Op zijn buik heeft hij het
embleem van de Ultra-Monsters. Een grote 'U', die
hem meteen onoverwinnelijk maakt. Erik kijkt er
eens naar. Hij vindt hem wel goed gelukt. Morgen
inkleuren. O nee! Dan is dat joch er.
Zuchtend staat hij vanachter zijn bureau op
en hij
laat zich op de grond zakken om eens te kijken waar-
mee hij zal beginnen. Hij harkt twee losliggende sok-
ken bij elkaar en bedenkt ondertussen dat hij nog
zoveel te doen heeft. Tekenen, buiten spelen, televisie
kijken. In plaats daarvan kan hij nu een
beetje gaan
zitten opruimen. Dat stomme joch.
„Hoeveel jaar is hij eigenlijk?" vraagt hij aan Bob.
„Twee."
„O nee!" kreunt hij en valt achterover op
een stapel
shirtjes. „Twee jaar! Dan weet ik het gewoon zeker.
Bij Jonas hebben ze er ook zo een. Die maakt een ver-
schrikkelijke troep!"
